Ooit was ik verslaafd aan het nieuws. Serieus verslaafd.
Elke ochtend, elke avond en dan nog nieuwsradio in de auto. Scrollen, lezen, luisteren, kijken. Altijd op de hoogte. Altijd verontwaardigd. Altijd moe. Het sloopte me, samen met alle andere verslavingen van die tijd.
Dus heb ik de knop omgezet. Jarenlang volgde ik helemaal geen nieuws meer. Politiek? Zoek het uit. Niet (meer) mijn ding.
Dat werkte. Een tijdje.
Maar de laatste tijd is het anders. Mijn vriend vertelt me dingen. Ik kan er niet meer langskijken op social media. En dus merk ik dat ik ook weer vaker kijk wat er aan de hand is in de wereld.
Met een beetje angst ook, want straks zuigt het me er weer in.
Maar wat ik nu weet, wat ik vroeger niet wist: die verontwaardiging, die machteloosheid, dat gevoel van zinloosheid, niemand is daarbij gebaat. Niet ik, niet de mensen om me heen.
En toch is volledig wegkijken ook geen oplossing.
Want de mensen die midden in die wereld zitten, hebben jou en mij wel nodig. Niet om vooraan te staan en een massa op te ruien. Maar wel om in je eigen omgeving te zorgen voor iets meer vrede.
Het ligt in weten, zonder het je te laten beheersen. Én je afvragen: waar heb ík eigenlijk wél invloed op?
Hoe kwaad begint
Niet bij monsters. Dat zou makkelijker zijn.
Phil Stutz citeert in zijn boek True and False Magic een journaliste die in 1933 Hitler zag vlak voor een speech. Ze stond een paar meter bij hem vandaan en dacht: dit is hem? Dat kleine, ineengedoken mannetje in de hoek?
Tot hij werd aangekondigd.
Ineens een totaal ander mens. Rechtop. Imponerend. De zaal ontplofte. En na de speech? Een muisje.
Stutz zegt zoiets als: hij was niet eens zichzelf. Hij was een doorgeefluik. Het kwaad zat niet in hem – het bewoog door hem heen, omdat hij al lang was opgehouden te voelen.
Dát is het patroon.
Pijn wordt hardheid.
Onzekerheid wordt overtuiging.
De ander wordt langzaamaan minder mens.
Barry Michels noemt dit – met de woorden van William Blake – de fearful symmetry. Wat ons wordt aangedaan, geven we door. Aan anderen. Aan volgende generaties. Tenzij we bewust kiezen dat niet te doen.
Welke energie breng jij de wereld in?
Michael Singer zegt zoiets als: als je thuis je naasten uitscheldt of tekeer gaat over alle ellende in de wereld, maak je zelf een oorlog. In je eigen huis.
En dat hoeft niet eens hard te zijn. Soms is het gewoon zwijgen. De koude oorlog thuis. Iedereen zijn eigen ding en geen verbinding. Dat is ook energie die wij de wereld in brengen.
En over de activist die uit woede een auto in brand steekt om het milieu te redden: je vervuilt de omgeving meer dan die auto ooit had gekund.
Ik moest lachen en voelde me naar tegelijkertijd toen ik het las.
Het grote begint in het kleine
Als coach zie ik dit elke dag terug bij mensen die ogenschijnlijk gewoon functioneren. Druk met overleven, presteren, aan de juiste kant staan – terwijl ze zichzelf van binnen langzaamaan kwijtraken.
Die anderen reduceren tot een mening. Een ander kamp.
Geen slechte mensen. Gewone mensen.
Het grote begint in het kleine. In jou, in mij, in de keuze die we elke dag maken.
Word ik harder of blijf ik menselijk?
Waar onze invloed wel ligt
Barry Michels vertelt over een burgerrechtenleider in Nashville, 1960. Amerika lag in brand. Rassenrellen. Geweld op straat. Iedereen koos een kant.
Reverend James Lawson trainde jonge activisten in geweldloze protesten. Op een dag stond hij oog in oog met een woedende man in de menigte.
De man spuugt hem vol in zijn gezicht. Haat in zijn ogen.
Lawson veegt het rustig af. Kijkt hem aan.
En vraagt of hij een motor heeft.
De man – volledig van zijn stuk – antwoordt ja. Ze beginnen te praten. Over motoren, vermogen, hoe je ze aanpast. Twee mannen die even geen vijanden meer zijn, maar gewoon twee mensen met een gedeelde passie.
Langzaam verdwijnt de haat uit het gezicht van de man.
En uiteindelijk vraagt hij: kan ik iets voor je doen?
Dat is wat Michels Goedheid noemt. Niet naïef. Niet zwak. Maar de bewuste keuze om de mens te blijven zien achter de haat. Om niet mee te gaan in de logica van kampen en vijanden.
Niet terugslaan. Niet harder worden. Niet verdoven. Niet wegkijken.
De ander blijven zien als mens – juist als alles je uitnodigt dat niet te doen.
Ik heb geen oplossing voor hoe de wereld in elkaar zit.
Maar ik weet waar mijn invloed ligt. Niet bij de mensen die raketten afschieten. Wel bij de mensen om me heen. Thuis. Op straat. In mijn omgeving. In de mensen die ik help.
Daar begint het.
Ik geloof dat liefde sturen werkt. “Love sent is love felt”, zoals Barry Michels zo mooi zei. En dus probeer ik even adem te halen en liefde te sturen naar de ander voor ik reageer. Het lukt niet altijd, maar vaker dan vroeger.
Glimlach naar een vreemde. Pak een omgevallen fiets op. Gooi iets weg dat niet van jou is. Stuur liefde naar mensen waarvan je voelt dat ze pijn hebben.
Dat is waar ik mee begin. Elke dag opnieuw. Kleine dingen. Maar het telt.
Wanneer heb jij voor het laatst iemand écht gezien – voorbij zijn mening, voorbij zijn uiterlijk, voorbij zijn kamp? Wat deed dat met je?

